|
Het lichaam betekent verwarring en angst, kwetsbaarheid en banaliteit.Het betekent ook verrukking en lust, trots en schoonheid. Bij Creten gaan die uitersten op zo'n manier samen dat ze tot elkaar veroordeeld lijken. De huid van zijn beelden spreekt daarvan op haar manier. Ze is verleidelijk en afwerend, troostend en kwetsend, warm en koud tegelijk. Strelingen ketsen af op de ondoordringbare laag die ze geworden is nadat ze samen met het zachte vlees van de klei en de vingerafdrukken van de kunstenaar in een hete oven brandde. Poriën zijn in het vuur kraters geworden, rimpels kervingen, veerkracht glazuur. |
En toch fleemt de huid met haar vermommingen van rozen, vogels of vlinders en met de prikkelende opzichtigheid van haar kleuren telkens weer om aandacht en aanraking.In een voortdurend spel van aantrekken en afstoten rolt ze om en om als een krolse kat. Enerzijds sist ze dat ze gevaarlijk is door een kleed te vormen van scherp gerande rozen op vrouwenbillen, somber lavagesteente op een mannenromp of van voze veelkleurigheid op een vrucht. Anderzijds benadrukt ze met die bedekkingen de heerlijkheid en het genot van zachte rondingen, suggestieve holtes en liefdessappen. |
Het lichaam zelf heeft zijn eigen vermommingen.Het duikt op als hanen, eikels, honkbalknuppels of als vazen, vogelhuisjes, tanden en kiezen. Je ziet het, onder een laag gemeen gepunte rozen of dramatisch gekleurd glazuur ook wel als zichzelf, maar dan altijd maar voor een deel. Het hoofd ontbreekt, of het opereert in z'n eentje en dan staat het met fruit- of groentevormige uitstulpsels op een sokkel of ligt het als een kalkei in een biezen mand voor dood. Maar met wat het ook vergroeit, welke grimassen het ook trekt, nooit past het op de atletische mannelijke torso's en mollige vrouwelijke onderlijven die, met tal van bedekkingen, onder Cretens handen zijn ontstaan. Het is alleen, zoals ook de rest van het lijf het zelf maar moet uitzoeken. |
|
|
En zoeken doet het, in alle richtingen die het een identiteit zouden kunnen geven, een duidelijk beeld van zichzelf als man of als vrouw. Attributen en symbolen moeten dat man- of vrouwbeeld opwekken en ondersteunen. Op een primair niveau lukt dat ook, het mannelijke stoere en daadkrachtige hulpeloos en impotent. De lavaharde puisten op een zwangere buik maakt het vrouwelijke zachte en scheppende ziek en onheilspellend. De twee komen niet bij elkaar om elkaar te bevruchten ook al lonken ze met elkaars symbolen en is alles gereed voor de balts. Het blijven werelden apart, ieder versmolten met zijn eigen vermomming, opgesloten in zijn eigen cel. |
|
| Tekst: ANNA TILROE, 1995 | |